MISDAAD EN STRAF IN EEN HOLLANDSE STAD: HAARLEM, 1245-1615

In dit boek zet de historicus Maarten Müller op een rij wat er is te vinden over misdaad en straf in Haarlem in de periode 1245-1615. Die misdaad varieerde van diefstal tot moord, maar omvatte ook ketterij en tovenarij.

De bestraffing ervan liep uiteen van ‘vaderlijke raad’ voor jonge dieven, bedelaars of vechtersbazen tot verbanning en de doodstraf door ophanging of onthoofding, al dan niet voorafgegaan door ‘pijnlijke ondervraging’. Müller beschrijft hoe het stadsbestuur van Haarlem, de graaf van Holland en later de Staten van Holland reageerden en anticipeerden op verschillende vormen van criminaliteit. Hij schetst daarbij de ontwikkeling van de strafrechtelijke procedures. Het allereerste archiefstuk met een strafrechtelijke inhoud is het Haarlemse stadsrecht uit 1245. Ook de bewaarde rekeningen van de Haarlemse schouten en de vonnissen van de schepenbank vormen een belangrijke bron voor dit boek.